Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 11.1918

Page: 70
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1918/0080
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
De witte achtergrond is bezaaid met groepen van roode moesjes, waarvan stersgewijze
zwarte spiralen uitgaan.

Het zou de moeite waarschijnlijk loonen deze figuur geheel bloot te leggen en
ook een verder onderzoek naar muurschilderingen in te stellen. Wij bezitten in Holland
zoo weinig van zulke kunst, dat iedere vondst een aanwinst lijkt. Hoeveel te meer een,
die een kunstenaarshand verraadt.

Ter vervanging van den heer Lakeman, wiens overlijden in het vorig verslag
vermeld werd, wezen kerkmeesteren den heer P. de Jong C.zn. als lid der Commissie
aan. Onderwijl belastte de voorzitter zich met het beheer der geldmiddelen en zal dat
ook voorloopig blijven doen.

J. SIX.

DE KAROLINGISCHE KAPITEELEN VAN HET VOORMALIGE
KARELS-PALEIS TE NIJMEGEN.

Van het oorspronkelijke Karels-paleis te Nijmegen (het latere »Hof”), zijn slechts
enkele resten overgebleven. Niet het minst belangrijk hiervan zijn vijf kapiteelen, die,
zoowel naar photographie als in geometrisch aanzicht, in de afbeeldingen A, B, C, D en E,
hierbij worden weergegeven.

De kapiteelen A en B rusten thans achtereenvolgens op den zuidelijken en noordelijken
hoekzuil der gespaard gebleven concha van Frederik Barbarossa’s paleisherstelling (de zoo-
genaamde »ruïne”). Deze zuilen met hunne basementen zijn romeinsch en werden ongetwijfeld
door Barbarossa in het grootendeels verwoeste paleis gevonden. Vermoedelijk vervulden
zij daar eenzelfde functie als thans.

De kapiteelen C, D en E zijn tegenwoordig binnen het genoemde halfrond in de
open lucht opgesteld. Kapiteel C en de kapiteelen A en B zijn van wit carrarisch marmer
(Massa Carrara). Kapiteel D is uit Jura-kalksteen, kapiteel E uit groven Trierschen
zandsteen gehouwen.

Met uitzondering van kapiteel D, zijn zij alle naar eenzelfde schema gevormd. De
bewerking evenwel is onderling verschillend, behalve bij de kapiteelen A en B. Het
gemeenschappelijke schema is gekenmerkt door den overgang van een vierkant boven-
gedeelte in een achthoekig middendeel, dat op zijn beurt overgaat in een eveneens acht-
hoekig, maar overhoeks geplaatst benedengedeelte, waarvan het grondvlak cirkelvormig
is begrensd. De achthoekszijden zijn met naar buiten ombuigende bladeren versierd. Het
midden van elke zijde van het vierkante bovengedeelte is (behalve bij kapiteel D) door een
rozet gemarkeerd. Elke zijde is weerzijds van die rozet daarenboven van ornament voorzien.

Dit ornament is in de kapiteelen A, B en C als wandvulling opgevat. In het
kapiteel E bestaat het uit gespleten bladpluimen, die uit getorsde stengels ontspruiten. De
pluimen, die in de hoeken samenkomen, vervangen min of meer de traditioneele, klassieke
hoekvoluten, die overigens aan cnze kapiteelen ontbreken.

70
loading ...