Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 4.1911

Page: 8
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1911/0020
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
gebied van nieuwe medailles is tot stand gekomen, is voor een groot deel te danken aan
Chaufepié. Dat moet hem hoog worden aangerekend en wij bejammeren het levendig en
oprecht, dat de beminnelijke, hulpvaardige en ijverige man is heengegaan in de kracht
van zijn leven. Mannen, die zich zooals hij, belangeloos wijden aan het goede, schoone
en nuttige, zijn er waarlijk niet te veel.

D. F. SCHEURLEER.

ONILEENINGEN J).

IV. Cornelis Engebrechtsz. en Albrecht Dürer.

Het gebruik dat door Nederlandsche kunstenaars in het begin der 16de eeuw van
Dürer’s gravuren en houtsneden gemaakt is werd nog lang niet genoeg aangewezen. Zoo
is, meen ik, nog niet opgemerkt dat ook Cornelis Engebrechtsz. op deze wijze zijn gezichts-
kring heeft verruimd.

Het eerst meende ik in een klein detail van Engebrechtsz. in de Leidsche Laekenhal
bewaarde Kruisiging1 2) een herinnering aan den Duitscher op te merken. Het aardige
hazewind-achtige hondje dat daar op den voorgrond zit, deed mij denken aan twee der
honden op Dürer’s bekende gravure van 1505, den St. Hubertus (Bartsch 57). Een daarop
gevolgd onderzoek of in Dürer’s prentwerk meer te vinden was bleef niet geheel zonder
resultaat.

Aan Dürer’s vroege houtsnede met de Kruisiging (Bartsch 59) heeft Engebrechtsz.
inderdaad voor zijn Kruisiging het een en ander ontleend. Behalve de compositioneele
overeenkomsten zijn er enkele naar mijn oordeel wel klemmende detail-analogieën. Zóó de
paardekop die tusschen het kruis van Christus en het linkerkruishout op beide werken
zichtbaar is. Zóó de schuin op den rug geziene met zijn capuchon gedekte ruiter — bij
Engebrechtsz. boven op den heuvel links, bij Dürer rechts.

Ook in den merkwaardigen Jobannes de Evangelist in de gloeiende olie der Parijsche
verzameling Von Schlichting die door Jean Giffrey wel terecht aan Cornelis Engebrechtsz.
toegeschreven werd 3), meen ik behalve herinneringen aan Geertgen tot St. Jans een sterken
invloed van het eerste blad uit Dürer’s houtsneden-reeks der Apocalypse (B 61) te speuren.
De acties der beulsknechten bijvoorbeeld toonen dunkt mij duidelijk aan dat Engebrechtsz.
— evenals Quinten Metsys en Lucas van Leyden trouwens — Dürer’s marteling van den
Apostel moet gekend hebben.

Dit zijn echter, vrees ik, analogieën waarvan alleen de gewillige vergelijker zich
zal laten overtuigen.

1) Andere ontleeningen in «Bulletin” VI, pag. 180—183; Tweede Serie II, pag. 151—153 en III,
pag. 203-206.

2) Reproducties in Dülberg: «Frühhollander” I.

3) »Les Arts”, 1904, Juni, pag. 10, met reproductie.

8
loading ...