Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 47
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0059
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Orde van de Ridderschap en Edelen van Holland en West-Friesland als Heeren van
Rijnsburg. In hare vergadering van 27 Juli 1787 besloot deze »dit zegel als een zeer
curieus stuk in het zilver te laten brengen ten einde hetzelve tot het zegelen der leen-
brieven en andere acten der Abdije te kunnen gebruiken”.

Zoowel het oorspronkelijke ivoren zegel als de in 1787 er naar gemaakte reproductie
kwamen in ’s Rijks Archief te ’s-Gravenhage; het ivoren zegel werd aan het Ned. Museum
voor Geschiedenis en Kunst aangeboden.

12 en 13. Zegel van Graaf Willem II van Holland als Roomsch koning. Het
naar voren gewende beeld van den Roomsch-koning met kroon, schepter en rijksappel op
een troon gezeten met omschrift: J': WILL<i*LMVS : DiiEI : GRACI7\. : ROMANORUM :
R€X • SEMP€R : AVGUSTVS.

Geelkoper, doorsnede 92 m.M., met bijbehoorend contra-zegel: adelaar met uit-
gespreide vleugels, eveneens van geelkoper, doorsnede 47 m.M. Beide stukken in lateren
tijd vervaardigd.

’s-Gravenhage, Dec. 1915. A. O. VAN KERKWIJK.

HET KEIZER-KAREL-RAAM IN DE GROOTE KERK TE ’S-GRAVENHAGE.

Toen in 1539 een groote brand ernstige schade aangericht had aan de Haagsche
Smt Jacobskerk werden van verschillende zijden pogingen gedaan om de geleden verliezen
zooveel mogelijk te herstellen. En zoodra het gebouw weder gedicht was, werd er ook
aan gedacht nieuwe gebrandschilderde glazen aan te brengen. Aanzienlijke edelen : René
van Chalons en Maximiliaan van Egmond, ook de bisschop van Utrecht schonken
vensters, waarvan echter nu niets meer over is; in 1547 eindelijk, — misschien tot
afsluiting der geheele werkzaamheid, — gaf ook de Keizer-zelf een glas, dat in het middelste
raam van het koor werd geplaatst. In hetzelfde jaar vaardigde de Haagsche magistraat
een strenge keur uit tegen het inwerpen der kerkglazen, waarin zij de ouders verant-
woordelijk stelde voor het gedrag hunner kinderen. De Haagsche jeugd heeft zich daar-
door — en door de vele volgende van gelijke strekking — echter niet laten gezeggen.
Zij is onverdroten doorgegaan met het »kooten ende balwerpen; ja, Godbetert, werpen
van steenen” en reeds in de dagen van de Riemer waren van de meeste glazen nog
slechts fragmenten over; toen Timareten schreef (1777), waren er zelfs van de 15 grootere
en kleinere, die oudtijds geteld werden, nog maar van vijf voldoende stukken over om
daarvan eene beschrijving mogelijk te doen zijn.

In het midden der 19de eeuw, toen de geheele kerk een »goede beurt” kreeg en
op de ergste wijze werd mishandeld, heeft men op de meest radicale wijze ook de vensters
onder handen genomen. Zóó als in Den Haag heeft men het wel nergens gedaan! Twee
ramen boden nog tamelijk samenhangende fragmenten: het eene was dat van Keizer Karei,
het andere dat van de kanunniken van het Kapittel ten Hove, meestal, maarten onrechte,

47
loading ...