Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 94
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0106
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
verkrijgen. De taalstudie, die inlichtingen geeft over de herkomst der volken en hun ver-
wantschap, zal de gegevens moeten aanvullen der anthropologie, die het onderscheid
en de verspreiding der rassen leert kennen. Ten slotte kan dan de studie der in den
grond gevonden nederzettingen, graven en voorwerpen van dagelijksch gebruik licht geven
over de beschaving der inwoners in verschillende tijden en veelal ook een inzicht in
hun gedachten en geloof, soms zelfs in hun handel en verkeer. Slechts een samengaan
van deze onderzoekingen is in staat een werkelijk beeld te verschaffen van de oudste
geschiedenis van Nederland.

Een dergelijke beschouwing zou ons hier te ver voeren. Wij hebben ons moeten
bepalen tot het gevondene bij de opgravingen van Dr. Holwerda. Door zijn nauwkeurig
onderzoek heeft hij ons veel beter dan vroeger eenige perioden uit de vóórgeschiedenis
van ons land leeren kennen. De ontdekker heeft recht op onze volledige dankbaarheid.

A. W. BIJVANCK.

HET NIEUWE CENTRALE MUSEUM TE UTRECHT.

De stichting van het museum, welks naam hierboven vermeld staat, is het resultaat
van jarenlangen, geduldigen arbeid. Ik durf niet bepalen, hoelang het wel reeds geleden is,
sedert het mij duidelijk werd, dat alleen door combinatie van de verschillende waardevolle
elementen, die te Utrecht aanwezig zijn, een belangrijk en bevredigend museum verkregen
zou kunnen worden. Ik begin met die elementen aan te wijzen.

Het hoofdbestanddeel van het nieuwe museum, de kern der onderneming, zou
natuurlijk altijd moeten zijn het Stedelijk museum van oudheden, dat in 1838 door
burgemeester Van Asch van Wijck gesticht is, in 1874 vlg. door mij gereorganiseerd en
in 1891 van het stadhuis overgebracht werd naar zijn nieuw verblijf in het gebouw op
het Hoogeland. Het hoofdbelang van dit museum is gelegen in de serie beeldhouwwerken
uit den tijd der gothiek en der vroeg-renaissance, die in ons land eenig kan heeten.
Sedert, ter gelegenheid van de verhuizing naar het Hoogeland, het aanwezige meubilair
vereenigd is kunnen worden tot eene serie antieke kamers, mag ook deze serie, die (althans
buiten het Rijksmuseum) ten onzent niet geëvenaard wordt, als opmerkelijk genoemd
worden. De door mij bewerkte catalogus van het museum is in 1878 verschenen (tweede
vermeerderde uitgaaf van 1904); de geïllustreerde gids van mijne hand dagteekent van
1892 (vermeerderde herdrukken van 1906 en 1913).

Ook buiten het Stedelijke museum zijn verschillende andere belangrijke kunstver-
zamelingen te Utrecht aanwezig; sommige daarvan overtreffen zelfs het Stedelijk museum in
belang en in waarde. Het opmerkelijkste is stellig het Aartsbisschoppelijke museum, gesticht
in 1872 door Mgr. G. W. van Heukelum. Het bevat eene niet zeer groote, maar uiterst
kostbare verzameling van kerkelijke kunst uit de Noord-Nederlandsche middeleeuwen,
die in geen onzer Nederlandsche musea geëvenaard wordt. De collectie is bij hare
stichting opgesteld in het oude huis Loenersloot op de Nieuwe gracht, dat weliswaar

94
loading ...