Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 205
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0217
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Zoo was het afgeloopen jaar niet onbelangrijk, niettegenstaande de algemeene
malaise en ook de Bond treedt den nieuwen jaarkring in met een verhoogd ledental.
Wij scharen ons daarom nog niet aan de zijde van hen, die meenen, dat het getijde van
belangstelling voor oudheidkunde en oude kunst aan het kenteren is, om plaats te maken
voor meer belangstelling in de kunst van het heden. Dit laatste zullen wij allen toejuichen,
doch wij gelooven, dat de meerdere belangstelling voor de kunst van het heden niet zal
zijn ten koste van die voor de oude kunst. Het zal wellicht de manie beperken om
alles te verzamelen, omdat het oud is, doch daarbij is zeker geen verlies te boeken. De
wetenschappelijke studie echter van hetgeen de oude kunst ons leert kan slechts bevorderd
worden door meer belangstelling voor de kunst van het heden. Het aantal vage belang-
stellenden moge verminderen, de belangstelling der overigen zal er daardoor slechts in
kracht en diepte kunnen winnen.

Met vol vertrouwen op de toekomst open ik daarom deze vergadering van
den Nederlandsche Oudheidkundige Bond.

JAARVERSLAG VAN DEN SECRETARIS Dr. M. P. ROOSEBOOM.

Na de uitvoerige openingsrede van den Voorzitter zal ik slechts één enkel oogen-
blik uwe aandacht vragen voor een kort overzicht van den huidigen stand van den Bond.

Vond het Bestuur het verleden jaar minder raadzaam, nieuwe benoemingen te doen,
de in den lande weergekeerde rust deden ons besluiten, reeds vóór het einde van
den oorlog ons ledental uit te breiden. Het aantal aangesloten vereenigingen bleef 38,
dat der leden steeg van 49 op 51, terwijl wij nu, niettegenstaande dat verschillende
leden bedankten en enkele overleden, 444 correspondeerende leden tellen tegen 410 in
het afgeloopen jaar. Dit is een verblijdend teeken en men vraagt zich af, of soms dank-
baarheid, dat ons land tot nog toe voor de rampen van een oorlog bespaard bleef, meerdere
liefde en belangstelling voor wat het nog aan schoons uit het verleden biedt, kweekte?

Dat waakzaamheid nog steeds geboden blijft, zelfs op officieele lichamen, bleek
onlangs weer uit de voorgenome slooping van de zoo interessante voormalige Geschut-
gieterij te ’s-Gravenhage. Een verzoekschrift onzerzijds heeft niet het gewenschte effect
mogen hebben. Het is en blijft noodzakelijk, dat onze leden en correspondeerende leden
in alle provinciën des lands steeds een open oog en een warm hart voor de oudkundige-
en de kunstbelangen in ’t algemeen, blijven behouden en ook trachten onze Volks-
vertegenwoordiging meer belangstelling daarvoor in te boezemen. De voorgestelde
belastingen op kunstwerken noopten ons Bestuur een bezwaarschrift hiertegen tot den
Minister van Financiën te richten, dat vergezeld ging van artikelen van Dr. C. Hofstede
de Groot en Jhr. Teding van Berkhout, waarin het nadeelige der voorgestelde bepalingen
uitvoerig uiteengezet wordt. Afdrukken dezer drie stukken werden aan de leden van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal toegezonden. Voorts werd er in het Bulletin gewezen
op de besnoeiing onzer begrooting op kunstgebied, die, vergeleken met de oorlog-

205
loading ...