Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 206
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0218
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
voerende landen wel, een zeer treurig figuur maakt. Zijn er onder de correspondeerende
leden van onzen Bond die nu juist niet technisch degelijk onderlegd zijn, zoo kunnen
zij juist door hunne liefde en belangstelling voor oudheidkundige- en kunstbelangen toch
van groote waarde voor onzen Bond zijn door het bewerken en oogen ontsluiten van
het groote publiek. Ik roep de nieuwe leden, voor zooverre aanwezig, hierbij een hartelijk
welkom toe, en verzeker hun, dat ons Bestuur op hun steun en medewerking vast rekent.

De »Commissie voor de Grafzerken ’ beëindigde haar taak en bracht haar rapport
uit in het Bulletin. Heden zullen de stellingen der »Commissie voor de vaststelling van
beginselen bij de restauratie van monumenten” definitief worden vastgesteld, zoodat de
taak dezer Commissie daarmee afloopt. Wegens mobilisatie harer Voorzitter vorderde de
»Commissie tot samenstelling van een woordenboek van bouwkundige termen” dit jaar nog
niet. De »Commissie voor de voorbereiding van stellingen betreffende de inrichting en het
beheer van Musea” is bezig hare stellingen in haar geheel te verwerken en hoopt die
later in brochurevorm uit te geven, terwijl de »Commissie voor de beschrijving der
gebouwen van de Oost- en West-Indische Compagnieën in Nederland” nog niet met haar
taak is kunnen gereed komen, aangezien de Voorzitter door zijne werkzaamheden als
kamerlid enz. geheel in beslag genomen werd.

Ten slotte kan ik u mededeelen dat de Koninklijke goedkeuring is verkregen op
de wijziging der Statuten, waartoe verleden jaar te Arnhem besloten werd.

NEDERLANDSCH MUSEUM VOOR GESCHIEDENIS EN KUNST.

AANWINSTEN.

Het is lang geleden dat wij hier over Delftsch aardewerk spraken. In den tweeden
jaargang (1900—1901) werd een kort overzicht gegeven van de beteekenis der toen
aanwezige nog kleine verzameling; sedert vestigden wij nu en dan de aandacht op
belangrijke aanwinsten. Ik herinner in het bijzonder aan de vaatwerken en schotels waarin
wij de oudste producten van het vaderlandsch fabrikaat hebben te zien en aan de zeldzame
stukken uit de fabriek der Hoppesteijns. Hadden wij na vijftien jaren andermaal ons
verslag willen opmaken van de waarde der verzameling, als vertegenwoordigende de
beroemde Oud-Hollandsche industrie, dan had getuigd moeten worden, dat wel is waar
de kenmerkende punten van de ontwikkelingslijn in de aanwezige exemplaren konden
worden bestudeerd, dat voor een kenner dus het bijeengebrachte ontegenzeggelijk een
merkwaardig studie-materiaal bood en, wat betreft de vroegste stukken, éénig genoemd
mocht worden, maar dat bij lange na niet de volle rijkdom van het fabrikaat, zoowel in
aesthetisch als in technisch opzicht aan het licht kwam.

Ten opzichte van het oude Delftsche aardewerk, eerder dan ten opzichte van welke
andere ceramiek ook, moet getuigd worden, dat de verdienste in de eerste plaats gelegen
is in de decoratieve kracht. Het email is altijd warm en zacht, de kleurverdeeling altijd
voortreffelijk, maar op de hand bekeken hapert er dikwijls iets aan de teekening, zelden

206
loading ...