Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 17
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0029
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
OPGRAVINGEN IN DE ST. SERVAASKERK TE MAASTRICHT.

De bouwgeschiedenis van de St. Servaaskerk, zooals die tot nog toe werd aan-
genomen, is wat men noemt een vreemde historie. Het gebouw zou in hoofdzaak dag-
teekenen uit de zesde eeuw, de machtige westbouw moest uit de dagen van Karei den Groote
zijn, een werk van Eginhard wellicht, alleen de kruisarmen en de concha met hare torens
waren uit de romaansche periode, de geheele overwelving, de zijkapellen en de
kruisgang gothiek.

Een kerk van ruim 67 bij bijna 24 Meter binnenwerks — niet in Italië maar te

Maastricht! —, uit de zesde eeuw. een westbouw van het rijkst ontwikkelde type

en met gewelven en allerlei détails, die op het eind van de twaalfde eeuw wijzen,

Karolingsch. het waren harde noten om te kraken, en een heele stellage van quasi-

historische argumenten was dan ook noodig om deze hypothese overeind te houden,
terwijl voor den westbouw dan nog moest worden verondersteld, dat eigenlijk alleen de
romp oorspronkelijk, de inwendige architectuur zoo goed als geheel later toegevoegd was.

Ik heb een paar jaar noodig gehad, om in de buitengewoon grondig gerestaureerde
kerk schijn en wezen te leeren onderscheiden, en intusschen ook het historisch materiaal
te onderzoeken en te schiften. Het geluk diende mij in zooverre, dat ik, toen ik al zeer
volledig overtuigd was van de onhoudbaarheid der gangbare voorstelling van de bouw-
geschiedenis, in aanraking kwam met een Maastrichtsch belangstellende, den heer L. A.
J. Keuller, die in samenwerking met den architect W. Sprenger, het gebouw herhaaldelijk
had onderzocht en reeds gekomen was tot de te-boek-stelling van een zelfstandige hypothese
voor de historie van de kerk. Het onuitgegeven geschrift van den heer Keuller bleek
eenige van de voornaamste vraagpunten scherpzinnig gesteld en in een bepaalde lijn ernstig
nagegaan te hebben, zoodat ik, ook al ben ik ten slotte tot geheel andere oplossingen
gekomen, daarin toch een voortreffelijke hulp vond, toen ik een definitief onderzoek
van het gebouw kon gaan ondernemen. De gulheid, waarmede de heeren Keuller en
Sprenger hunne waarnemingen en opmerkingen tot mijn beschikking stelden, wil ik hier
vooraf met groote erkentelijkheid herdenken.

Het resultaat van mijn bevindingen zal ik elders uitvoerig publiceeren, maar een
onderdeel van het onderzoek, de ontgraving van het gebouw op verschillende plaatsen,
laat zich beter afzonderlijk beschrijven, en daarvoor maak ik gaarne gebruik van de
gelegenheid, mij door de redactie van dit «Bulletin” geboden.

Het meest verrassende in de kerk, en in ons land zeer ongewoon, is de aanleg
van hare crypten (zie afb. 3). Men vindt n.1. onder het choor een zeer diep gelegen krocht,
onder de viering een tweede, op hooger peil, en, ten westen aansluitend bij deze laatste,
een tamelijk ruime gang, in oude stukken geregeld »de kleine crypt” (crypta minor)
geheeten, die toegang geeft tot een klein vertrek, bekend als »het graf van St. Servaas .

Het is bij dit complex, dat ik mijn onderzoek begon. Volgens de gangbare voor-
stelling zou de crypt onder het choor, evenals het graf van St. Servaas, uit den tijd van

2

17
loading ...