Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 258
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0270
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
DE FRANS HALS VAN AKERSLOOT.

(Portret van pastoor Stenius).

Toen in den jongsten winter (Nov. 1915—Febr. 1916) de restauratie van het
bovengenoemde portret voltooid was, werden er in onze pers verschillende berichten
verbreid, als over een nieuwen Frans Hals, die ontdekt of opnieuw voor den dag
gekomen was. Die berichten echter, welke blijkbaar de overigens zeer verklaarbare
bedoeling hadden, om de belangrijkheid van de vondst en de verdienste der restauratie
in het licht te stellen, waren voor een zeer groot gedeelte onvolledig en onjuist. En dit
gebrek betrof wel voornamelijk den toestand, zoowel waarin het doek verkeerde, toen het
ontdekt werd, als dien, waarin het later verscheidene jaren lang bewaard bleef.

Doordien nu in dat verloop van tijd mijn persoon voortdurend zeer nauw bij de
zaak betrokken is geweest, heb ik in het maandschrift: De Katholiek (Maart 1.1. blz. 233—39)
door een eenvoudig verhaal der feiten die onjuistheden kunnen terechtwijzen. De pers
echter, die zoo grif had meegewerkt om de geschiedenis van het portret haast tot eene
legende te maken, waarin waarheid en dichting jammerlijk waren dooreengehaspeld, heeft
niet even vlug van mijne wederlegging gewag gemaakt x); zelfs trof ik in de laatste af-
levering (November) van het maandschrift: Onze Kunst een bericht aan, waarin een deel
dier verkeerde voorstellingen opnieuw herhaald werd.

Het lijkt mij daarom noodig, in ons Bulletin opnieuw uiteen te zetten, welke de
simpele waarheid der feiten is.

Het was 1 Mei 1878. Monseigneur Snickers had in de kerk van Akersloot het
LI. Vormsel toegediend en, zooals ik (zijn secretaris zijnde) sinds de stichting van het
Bisschoppelijk Museum gewoon was te doen, ik had mijn tijd benuttigd om na te
vorschen, wat er in kerk of pastorie aan kerkelijke oudheden of merkwaardigheden aan-
wezig mocht zijn. En zoo vond ik dan een verzameling van een negental portretten,
zeven van pastoors en twee van leeken, op den pastoriezolder bijeen. Ze waren, als
vanzelf spreekt, in meer of min verwaarloosden staat. Een echter was niet slechts uit
de lijst geraakt (die toch nog voorhanden was), maar er was ook van het raam, waarop
het doek gespannen was geweest, slechts een der latten overgebleven. En zoo lag dan
het portret van pastoor Stenius geheel los en gekreukt terneer tusschen de andere.
Duidelijk echter stond in den linker bovenhoek te lezen: Aetatis 45. Hnno 1650 met
het bekende monogram van Frans Hals: F. LI. aaneengeschreven.

Door de dagbladen nu is geheel verkeerdelijk bericht gegeven over »vele breuken
»die men van het midden links naar den rechter bovenhoek van het doek zag loopen”,
over »groote zwarte plekken als leelijke gaten, op het gelaat”, ja zelfs dat »hier en daar,
»zoo bijv. op het gelaat, alle verf ontbrak”. Ik kan als getuige de visu verklaren, dat dit

1) Mij werd alleen bekend de terechtwijzing door Mevr. De Klerk-Viola in het Handelsblad
van 8 Maart 1.1. geplaatst (Avonded. 3e bl.) en door De Tijd den 17en Maart overgedrukt.

258
loading ...