Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 262
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0274
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
DE GRAFTOMBE DER ARKEL’S TE GORINCHEM.

De oude St. Janskerk te Gorinchem is in 1845 afgebroken. Haren prachtigen
toren heeft men gelukkig laten staan, maar de kerk is vervangen door een nieuw
gebouw, afgrijselijk voorbeeld van timmermans-architectuur, uitwendig een vormlooze
grijze klomp en van binnen ijzingwekkend van koude nuchterheid. Een paar grafmonu-
menten uit de oude kerk, o. a. een steen, waarop de beelden lagen van een der heeren
van Arkel en zijne vrouw, had men aanvankelijk in het nieuwe gebouw willen herplaatsen,
maar de financiën ontbraken en men besloot daarom, ze onder den grond te bergen
tot een beter-bemiddeld nageslacht ze in eere zou kunnen herstellen. Eene aanteekening
in de notulen der kerkvoogdij vereeuwigde dit besluit en deze notitie, door belang-
stellende leden van het kerkbestuur teruggevonden, is aanleiding geworden, dat zich te
Gorinchem eene commissie vormde met het doel, de begraven kunstwerken op te delven
en, zoo mogelijk, te herplaatsen. De burgemeester, de heer E. G. Gaarlandt, aanvaardde het
voorzitterschap van deze commissie, die verder bestaat uit de heeren Jhr. W. F. R. van Naerssen,
voorzitter van »Oud-Gorinchem”, W. F. Emck, secretaris dier vereeniging, J. de Bie,
architect, J. C. den Haan, president-kerkvoogd, Dr. J. G. de Lint, kerkvoogd en onder-
voorzitter van »Oud-Gorinchem”, en A. J. C. Visser van IJzendoorn.

De heeren besloten, het eerst te graven in den zuidwesthoek der kerk, waar de
grafsteen der Arkel’s moest liggen en hadden weldra de voldoening, de overblijfselen
daarvan te vinden. Alvorens deze geheel bloot te leggen, waarschuwden zij, zich bewust
van hunne verantwoordelijkheid, den voorzitter der Provinciale Zuidhollandsche Archeo-
logische Commissie, Mr. Dr. J. C. Overvoorde, te Leiden, die zoo vriendelijk was mij uit
te noodigen met hem mede te gaan, toen hij naar Gorinchem ging om te zien, wat er
ontdekt en wat er nu verder te doen was.

Wij bevonden, dat de ontgraving, onder leiding van den heer de Bie, met de
noodige voorzichtigheid was geschied. In een ruimen kuil, niet heel diep onder den
vloer, die op deze plaats grootendeels met banken bezet was, welke men had moeten
laten staan, zagen wij den deksteen van een tombe liggen, waarop twee beelden in hoog
reliëf. De steen was niet meer in zijn geheel, verschillende afgebroken fragmenten lagen
los er bij. Het vrijmaken en opheffen van den door het langdurig verblijf in den grond
verzwakten steen bleek nogal zorg te zullen eischen, en op verzoek van het comité zonden wij
daarom den architect van de Rijkscommissie voor de monumenten, den heer G. de Hoog Hzn.,
die nog kort geleden te Maastricht dergelijk werk had geleid, naar Gorinchem, om raad te
geven en toezicht te houden. Deze heeft den steen op een veilige plaats laten neerleggen, de
losse stukken zoo goed mogelijk er aangepast, en van het geheel een paar foto’s gemaakt,
waarvan ik de beste hierbij laat weergeven. Zelf heb ik den steen alleen gezien, toen hij nog
in zijn kuil lag, waar allerlei détails, voor zijne waardeering en dateering van belang, niet
voldoende waren op te nemen. Met het voorbehoud daarom, dat nadere studie nog wel
eenige wijziging kan brengen in mijne meening, schrijf ik het volgende voorloopige bericht.

262
loading ...