Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 65
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0077
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
de noodige middelen niet te willen vinden ten koste van het nationaal kunstbezit. Zou
dan Nederland, dat een naam heeft hoog te houden op kunstgebied, hiertoe het
voorbeeld geven?

Om al deze redenen verzoeken wij Uw College in de beide meergenoemde Wets-
ontwerpen alsnog zoodanige wijzigingen te willen aanbrengen, dat voorwerpen van kunst
vrij blijven van belasting.

’tWelk doende enz.

Het Bestuur van den
Nederlandschen Oudheidkundigen Bond:
(w. g.) J. C. OVERVOORDE, Voorzitter.
M. P. ROOSEBOOM, Secretaris.

DE STAATSBEGROOTING VOOR 1916.

Toen ten vorigen jare de ontwerp-begrooting voor het Dep. van Binnenlandsche
Zaken gewijzigd werd, was vooral de afd. Kunsten en Wetenschappen de dupe dezer
bezuiniging, hoewel zij reeds lang de meest misdeelde afdeeling moest geacht worden.
Terwijl toentertijd de geraamde uitgaven van ƒ43.119.653.— met het in verhouding daartoe
niet belangrijke bedrag van ƒ588.402.— werden verminderd, moest deze afdeeling daarvoor
bijna ƒ216.000.— bijdragen; thans weet de Minister alsnog eene vermindering van ƒ21.662.—
aan te brengen, wat temeer opvalt, waar het eindcijfer van deze afdeeling eene verhooging
met ƒ1.689.464.— te zien geeft. In het voorl. verslag werd hierop gewezen en bij de
beraadslagingen herhaalde de Heer de Stuers deze grieven en vestigde de aandacht op
het groote contrast met andere afdeelingen, m. n. het onderwijs.

De Minister deelde mede, dat bij het aanbrengen van de strikt noodzakelijke
besparingen zooveel doenlijk over alle liniën een soortgelijke gedragslijn gevolgd was,
al viel het niet te ontkennen, dat hierin de afd. Kunsten en Wetenschappen naar verhouding
het grootste aandeel te dragen kreeg, echter niet omdat het hier weeldeuitgaven zou
betreffen. De Minister zal de laatste zijn, de onbetwistbare nuttigheid, ja noodzakelijkheid
van uitgaven, die ons volk wetenschappelijk of artistiek kunnen ontwikkelen, te ontkennen.
Maar dat de urgentie hierbij zóó sterk zoude spreken als ten aanzien van vele andere
uitgaven, kan naar zijne meening niet worden toegegeven. De Minister kwam er bij de
beraadslagingen tegen op, dat men hem in deze lauwheid zou toeschrijven of gemis aan
besef van het groote belang, waarom het gaat; hij heeft steeds de artistieke opvoeding
van ons volk als een van zijn groote belangen — ook uit materieel oogpunt — beschouwd.

I. MONUMENTEN.

In het voorl. verslag werd er op gewezen, dat hier toch niet kan gesproken worden
van weeldeuitgaven, waar het geldt, eenige bedragen beschikbaar te stellen om lang
verwaarloosde monumenten van den ondergang te redden. De bijzondere omstandigheden
mogen geen reden zijn om dit werk, dat tot veredeling van het volk bijdraagt, te doen

65
loading ...