Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 254
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0266
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
zonderling, dat de inventarissen er meestal over zwijgen, maar ook dit kan zelfs bij
omvangrijk materiaal nog altijd toeval zijn.

Overeenkomst bestaat er blijkbaar voor de verschillende landen wat betreft den
»Spaanschen mantel”, die gekarakteriseerd wordt als een korte mantel, dien men over
den linker schouder placht te dragen, terwijl hij rechts, onder den arm door, om het
middel werd geslagen. Wat de mode der beenbedekking aangaat, zoo schijnt Engeland
zich nader bij Frankrijk aan te sluiten. Wij althans kennen in Holland weinig of in
het geheel niet de mode der in Engeland genoemde »panes”, dat zijn de korte pof-
broeken, die bestaan uit een aantal verticaal naast elkaar gelegde en om het middel weer
vereenigde banden, die binnen de voering zijn opgevuld. Worden ze in Holland gedragen,
dan komen ze apart voor en nooit over den broek, die tot aan de knieen reikt. Deze
laatste sluit volgens Fransch model om het bovenbeen nauw aan en pleegt regelmatig
doorkerfd te zijn met kleine verticale splitjes. Dit is de Fransche smaak, die in Engeland
vrij nauwkeurig werd nagevolgd. In Holland reikt de veel wijdere pofbroek gewoonlijk
tot even onder de knieën, waar hij nauw omheen sluit; in de laatste tien jaren van de
XVIe eeuw wordt die ruimte geringer en men eindigt met de pijpen los te laten hangen,
waaronder dan kleurige en met gouden franje afgezette kousebanden als breede gestrikte
linten te voorschijn komen.

In de terminologie der kousen is weer overeenkomst. In het Engelsch spreekt
men van »nether stocks, stockings”; in het Nederlandsch heet dit kleedingstuk: neer-
hosen, neercousen of neerbasen, welk laatste woord de verwantschap met Fransch »bas”
duidelijk doet uitkomen.

Men ziet dus, dat een dergelijke samenwerking in verschillende landen, hoezeer
ook sommige vragen voorloopig open blijven, steeds nuttig effect heeft en zoo zien we
dan een volgend artikel van den Heer Kelly met belangstelling tegemoet.

Utrecht, October. Dr. C. H. DE JONGE.

AANWINSTEN VAN HET MAURITSHUIS.

Sedert de laatste mededeeling in dit Bulletin (Jaargang 1914, blz. 244 vlgg.)
is de verzameling van het Mauritshuis verrijkt met twee schilderijen van Mievevelt en
een van Slabbaert.

De beide Mierevelts kwamen in het Museum krachtens testamentaire beschikking
van wijlen Mr. W. F. E. Baron van Aerssen Beyeren van Voshol te Zwolle. Zij zijn
beide op paneel geschilderd. Het eene portret (hoog 72, breed 60 c.M.) stelt volgens
de overlevering voor Cornelis van Aerssen, Heer van Spijk, Griffier der Staten-Generaal
(1543—1627), het andere (hoog 73, breed 60 c.M.) geldt sinds jaren als dat van
Fran^ois van Aerssen, gezant bij het Fransche Hof (1572—1641). Als zoodanig zijn
beide portretten door Moes in zijn Iconographia Batava (nos. 641 en 701) vermeld.

Elk der portretten vertoonde, toen de schilderijen in het Mauritshuis kwamen,

254
loading ...