Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 80
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0092
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
verboden, tenzij hiervoor ontheffing is verleend onder nadrukkelijk door Burgemeester en
Wethouders te stellen voorwaarden. Het ware gewenscht, dat, zoolang eene wet op de
monumenten nog tot de pia vota behoort, en verdere bescherming nog niet is te verkrijgen,
althans het brandgevaar werd beperkt, door van overheidswege de gemeentebesturen met
nadruk uit te noodigen om eene dergelijke verordening te maken. De Rijkscommissie voor de
monumenten is het aangewezen lichaam om desverlangd van advies te dienen over de vraag,
tot welke gebouwen in elke gemeente zich de werking der verordening zoude moeten bepalen.

Ook de bescherming tegen het hemelvuur verdient de aandacht van de regeering.
Vele monumentale gebouwen zijn nog in het geheel niet van bliksemafleiders voorzien,
ot op eene wijze, die niet aldoende, en somtijds zelfs gevaarlijk kan geacht worden. Voor
dit onderwerp verwijs ik naar het technisch artikel van Dr. N. G. van Huffel in »de
Bouwwereld” 1913, N°. 13 en in het »Bouwk. Weekblad” 1915, N°. 15.

In grootere gemeenten, o. a. te Leiden, worden de bliksemafleiders op de openbare
gebouwen op geregelde tijden nagezien, doch op het platteland zal dit vaak niet, of
niet afdoende geschieden. Zoude het daarom geene overweging verdienen, om van
Rijkswege hiertoe een deskundige beschikbaar te stellen en aan dezen tevens op te dragen
om op geregelde tijden de bliksemafleiders op belangrijke monumenten in bezit van
gemeenten, kerkbesturen en particulieren te controleeren en hierover advies uit te brengen ?
Al werd hierdoor slechts één belangrijk monument gespaard, dan zouden de aan de
controle verbonden kosten hierdoor rijkelijk worden vergoed.

J. C. OVERVOORDE.

OPGRAVINGEN IN NEDERLAND.

II. HUNNEBEDDEN.

In het volgende zullen eenige vragen der Nederlandsche Oudheidkunde worden
besproken, naar aanleiding van het tentoongestelde in de Galerij voor Opgravingen van
het Museum van Oudheden te Leiden. Deze bespreking volgt de onderzoekingen van
Dr. Holwerda, den leider der opgravingen en stichter van de Galerij.

Dr. Holwerda heeft steeds, na afloop van elke opgraving, terstond den uitslag
bekend gemaakt. Niet tevreden met deze korte berichten, heelt hij ook de waarde zijner
ontdekkingen in hun verband willen aantoonen in zijn jongste geschrift: Die Niederlande
in der Vorgeschichte Europas (Intern. Archiv f. Ethnographie, Suppl. zu Bd. XXIII.
Leiden, 1915). Voor een verklaring van het gevondene in Nederland was het noodig,
het onderzoek uit te strekken over de vóórgeschiedenis van geheel Europa. Dit materiaal
was onontbeerlijk, al kon Dr. Holwerda veelal niet medegaan met de heerschende opvatting
van de vondsten. Tegen deze opvatting geeft hij thans op zeer besliste wijze zijn meening
en onderstellingen. Het zijn deze onderstellingen, die in het volgende vooral zullen worden
ter sprake gebracht.

80
loading ...