Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 111
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0123
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
stand J) hier afdruk, is het omdat het verkregen licht zoo zeer de verwachting overtreft,
dat een diergelijke oplossing aanbevolen mag worden voor stedelijke musea, die soms
met hun beperkte ruimte moeten woekeren.

Aan oost-, (A), noord- (B) en westzijde (C) en een deel van de zuidzijde
omsloten hooge muren het kleine binnenplaatsje. Bij licht van boven was dus kelderlicht
te verwachten, met een sterke verlichting van den vloer door het zenith-licht en schelle
bestraling van de noorderwand door de zon, terwijl de westelijke wand, de aangewezen
plaats voor de schilderij, vrijwel in het donker gebleven zou zijn.

Daarom ontwierp ik een lantaarn, waarvan het dak dezelfde breedte heeft als de
lichtopening, zoodat de vloer geen rechtstreeksch licht ontvangt en zelfs het witte marmer,
in toon gehouden, dus niet hindert. In het liggend raam werd dun, in het staand dik
bruut spiegelglas gebruikt, dat veel licht vangt en doorlaat. Tegen den noorderwand van
den lantaarn werd een smal gangetje, tevens overloop, opgetrokken, dat door vensters van
hetzelfde glas het zonlicht over het dak heen opvangt en van een gewitten muur weer-
kaatst tegen de zuiderwand van het zaaltje. De geheele lantaarn is van binnen wit

1) De teekeningen dank ik aan de vriendelijkheid van de Heeren Van Staa en Zoon, die ze
uitvoerden naar mijn schetsen, uitgewerkt door hun wakkeren werkbaas, den Heer Klees.

lil
loading ...