Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Page: 114
DOI issue: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0126
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
Deze karaktertrek echter, die hem geen strijd deed schuwen en hem ook in tegen-
spoed de kracht gaf om vol te houden, heeft het hem mogelijk gemaakt om den zwaren
strijd tegen onverschilligheid en verkapte tegenwerking te voeren en meer en meer de
medewerking van den Staat af te dwingen voor het behoud der monumenten.

Reeds in zijne jonge jaren toonde de Stuers dat hij de gaven bezat, om eene
eerste plaats in te nemen in den werkkring, waaraan hij zich zoude wijden. Van goeden
huize, begaafd met kunstzin, een niet onverdienstelijk teekenaar, ijverig werker, slagvaardig
met mond en pen, scherp van blik en doordringend tot de kern der kwesties, was hem
eene eervolle loopbaan verzekerd.

De Limburgsch-Vlaamsche afstamming uitte zich in zijn krachtigen humor, die hem
zelfs in dagen van ernstig lichamelijk lijden niet verliet, en de kunstzin in de ouderlijke
omgeving opende reeds vroeg zijn oog voor het schoone in de oude kunst. Toch voerde
slechts een toeval hem op het gebied, waarop hij zijn levenswerk zoude vinden. Er is
reeds zoovele malen op de bijzonderheden van zijnen levensloop gewezen, zoowel bij
zijn jubileum in 1913 als na zijnen dood, dat wij hier met de verwijzing naar enkele
hoofdpunten kunnen volstaan. Een reisje naar Londen in het begin van zijn advocatentijd
deed hem in het South-Kensingtonmuseum het bekende oksaal uit de kathedraal van den
Bosch terugvinden, dat een kortzichtig kerkbestuur had verkwanzeld, omdat het renaissance-
werk zoogenaamd niet paste in het gothische kerkgebouw. Dit was voor hem eene
openbaring met hoe weinig piëteit onze oude kunstwerken behandeld werden en deed
hem het bekende Gidsartikel: Holland op zijn smalst schrijven (Nov. 1873), dat door
den kernachtigen stijl bij velen insloeg als een te wapen tegen de onverschilligheid van
de regeering voor de nationale kunstbelangen.

Als direkt gevolg hiervan ontstond de Commissie van Rijksadviseurs met de Stuers
als secretaris (8 Maart 1874). Veel is door deze commissie gewerkt, totdat zij ten onder ging
door strijd in eigen boezem en door de fout, dat zij te veel wilde aanvatten, door naast
de zorg voor monumenten ook advies te willen geven over nieuwe bouwwerken van het
Rijk, waarover een groot deel der in de commissie benoemde oudheidkundigen niet
competent was om te oordeelen.

Door de meerdere aandacht, welke de minister thans gedwongen was aan de kunst-
zaken te wijden, werd de behoefte gevoeld aan een ambtenaar speciaal voor deze belangen.
De afdeeling Kunsten en Wetenschappen werd reeds tijdens het leven der commissie gevormd
en de leiding hiervan werd den len Juli 1875 door minister Heemskerk toevertrouwd aan
Jhr. de Stuers, die daarna het secretariaat van de Rijksadviseurs aan andere krachten overliet
en verder als lid aan de commissie verbonden bleef. De commissie werd in 1879 opge-
heven, doch de referendaris bleef en zette nu alleen het werk voort, krachtig gesteund door
zijn oud-medelid, den architect P. J. H. Cuypers, wiens groote kennis op bouwkundig gebied
hij in de commissie had leeren waardeeren en met wien hij sinds dien tijd steeds door
krachtige banden van onderlinge vriendschap en waardeering verbonden bleef.

114
loading ...