Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Hrsg.]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 2.Ser. 9.1916

Seite: 106
DOI Heft: DOI Artikel: DOI Artikel: DOI Seite: Zitierlink: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1916/0118
Lizenz: Freier Zugang - alle Rechte vorbehalten Nutzung / Bestellung
0.5
1 cm
facsimile
worden. Krijgen wij daarentegen schilderijen genoeg om de verdieping te vullen, dan zal
dit alles gemakkelijk nog eene plaats vinden in de bovenverdieping van dezen vleugel,
die met hare twaalf vertrekken anders voorloopig geheel ledig zal blijven, totdat door
aankoopen of door de mildheid van de burgerij de gelegenheid ontstaat om ze te vullen.

De zware steenen fragmenten, de gevelsteenen enz. van het Stedelijke museum
zullen in opene houten galerijen langs de kavalleriestallen geborgen worden. Mocht er
daarna nog plaatsgebrek komen, dan bestaat er gelegenheid, om door sluiting van de
westelijke binnenplaats nog negen groote vertrekken aan te winnen. Mettertijd is het te
hopen, dat de kavalleriestallen (die door het Rijk op stadsgrond gebouwd zijn) ook zullen
verdwijnen. Dan zal de gelegenheid tot uitbreiding bijna onbeperkt zijn, terwijl het
geheele aspect van het gebouw zeer belangrijk verbeteren zal.

Zoo opent zich dus voor de verzamelingen van het aanstaande Utrechtsche centrale
museum een wijd perspectief. Het is toekomstmuziek, waarover ik, die dit alles stellig
niet meer beleven zal, mij maar niet zal uitlaten. Wat ik echter wel hoop te beleven, is
de schepping van het perspectief, dat ik U in de bovenstaande regelen getoond heb en
dat binnen drie jaar gereed zal kunnen zijn. Ik hoop U dan nog te kunnen begeleiden
op eene wandeling door de dan gevulde zalen, die door kijkjes van die zalen verduidelijkt
zal kunnen worden. Zeker zal het mij eene voldoening zijn, U dit alles te vertoonen; want
eerst dan zal het Utrechtsche museum, dat eerst een paar jaar voor mijne komst te Utrecht
begonnen is te groeien, ontloken zijn tot een groot en goed georganiseerd geheel, dat
zich vertoonen mag en ten onzent niet vele wedergaden zal bezitten.

S. MULLER Fz.

CATALOGUS VAN DE VERZAMELING HAAGSCH PORCELEIN IN HET
GEMEENTE MUSEUM TE ’s-GRAVENHAGE, DOOR Dr. H. E. VAN GELDER.

De verzameling Haagsch porcelein in het Gemeente Museum te ’s-Gravenhage is
thans door geschenken, bruikleen en aankoop »tot een werkelijk volkomen representatieve
van dit product van kunstnijverheid geworden.” Aldus de Directeur, Dr. LL E. van Gelder,
wien dit tot een aanleiding is geweest om de verzameling in een catalogus *) te beschrijven.
Een rijk geïllustreerde studie over de Haagsche porceleinfabriek, met afbeeldingen, niet
alleen naar voorwerpen in het museum, maar ook naar vele stukken uit particulier bezit,
een studie, welke te voren reeds gepubliceerd werd in het Jaarboek van de Vereeniging
»Die Haghe” 1914/15, plaatste de schrijver als inleiding voor den catalogus. Uitvoerige
bijlagen en register zijn aan het boek toegevoegd. We laten hier een kort overzicht van
den inhoud volgen.

De porceleinfabricage hier te lande is niet een oorspronkelijk bedrijf, maar hangt
nauw samen met de Duitsche. Het was een Saks, Anton Lyncker, die in 1776 de Haagsche

1) Verschenen te ’s-Gravenhage bij Mouton en Co. in 1916.

106
loading ...