Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond [Editor]
Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond — 8.1907

Page: 74
DOI issue: DOI article: DOI article: DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/bulletin_knob1907/0080
License: Free access  - all rights reserved Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
74

werpen van pompen) en de afbeeldingen, die op waterverversching en
riolen betrekking hebben. De Rijksgebouwen, weer onderverdeeld in ver-
schillende rubriekjes, het Rijnlandshuis en de Gemeentegebouwen volgen
daarna. De laatste zijn in 9 rubrieken onderverdeeld. Opmerkelijk is hier
vooral het groot aantal origineele ontwerpen van stadsgebouwen, waarbij
belangrijke ontwerpen van A. v. 's Gravesant. P. Post, W. v. d. Helm.
Ook voor interieurs vindt men hier tal van ontwerpen, o. a. de bekende
van Thybault voor de ramen van den Doelen, ontwerpen voor ramen van
Academie en Stadhuis, het ontwerp voor den toren der Academie (1670);
schoorsteenmantels, plafondschilderingen, betimmeringen enz., die niet alleen
van plaatselijk belang zijn, maar tevens in het algemeen een aardige bijdrage
vormen voor de geschiedenis der toegepaste kunst in die dagen.

De kerken, kloosters, godshuizen, hofjes (niet minder dan 35), gast-
huizen, inrichtingen van openbaar nut en vermaak en de particuliere
gebouwen worden ook telkens in een afzonderlijke rubriek besproken.

De vijfde hoofdrubriek: verkeerswezen (51 nrs.) behandelt eerst de
vaarten en wegen en daarna de spoorwegen.

Ons dunkt deze catalogus een werk, dat in alle opzichten aan de
gestelde eischen voldoet, en wij hopen, dat de nog volgende afdeelingen
van dezelfde nauwkeurigheid en — vooral ook wat de registers betreft —
van denzelfden practischen zin zullen getuigen.

W. M.

Lucas van Leyden ornemanist.

De Noord-Nederlandsche kunst had zelden een decoratief karakter.
Luchtige sierlijkheid of strakke strengheid waren niet qualiteiten waar de
al vroeg op het picturale gespitste zinnen hun vreugde aan vonden. De
groote bloei in de eerste decenniën der 16e eeuw van de zuiver decoratieve
tapitsier- en glasschilderkunsten, om slechts deze te noemen, blijft grooten-
deels beperkt tot de Zuidelijke Nederlanden ; het zou ons niet verwonderen
wanneer mocht blijken dat de Crabeths wier ramen in Gouda niet van
vóór 1533 dateeren. hun werkplaats naar het voorbeeld der Antwerpsche
ateliers voor monumentale glasschilderkunst ingericht hebben.

Het is dan ook begrijpelijk dat die tezelfder tijd uit de nieuwe
behoeften der kunstnijverheid ontstane allerbelangrijkste kunstvorm, de orna-
mentprent, die in Duitsehland en de Zuidelijke Nederlanden onmiddellijk tot
bloei geraakte, in de Noordelijke provinciën haar groote meesters niet vond.

Lucas van Leyden doet aan de waarheid van deze bewering niets af.
Reeds Lichtwark wees er in zijn Ornamentstich der Deutschen Frührenaissance
op dat hij als ornemanist weinig beduidde : »Als Erfinder ornamentaler Gebilde
spielt Lucas keine Rollc, mit Dürer oder auch nur mit Burgkmair lasst er sich
nicht vergleichen. Seine Architecturen sind auffallend leer, seine Einrah-
mungen armselig, schwer und ohne Grazie. Sein Blattwerk hat ganz rohen


loading ...