Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

Page: 47
DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/vandenbranden1883/0059
License: Public Domain Mark Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
De Meesters van Matsijs

47

daarvoor moet de natuur hebben gezorgd. De wijze raadge-
vingen en goede wenken eens behendigen meesters, kunnen
de kunstenaarswording wel bespoedigen, maar niet doen
ontstaan. Wil een meester meer doen dan den kweekeling
onderricht geven in de uitvoeringsmiddelen van het vak, dan
doodt hij al het zelfstandig denken en handelen. Van eenen
man met degelijk aangeboren talent maakt hij een hersen-
loozen en werktuigelijke nabootser. Matsijs moet dat ook
hebben geweten. Daarom zal hij, op zijnen leeftijd, en begaafd
als hij was, schuw zijn geweest, om zich nog rechtstreeks
onder de leiding van eenen meester te stellen.

Hij kon zich genoeg door zelfonderricht ontwikkelen en
volmaken, bij het bestudeeren der puikgewrochten eener
schitterende School. Aandachtige beschouwing en wijze
ontleding van prachtige toonbeelden leeren den kunste-
naar meer, dan al de rechtstreeksche lessen van eenen
meester.

Eene dergelijke zelfontwikkeling zou veel inspanning, ja,
taai geduld vergen ; maar daarom had hij een echt kunste-
naarskarakter ; daarom Avas hij Quinten Matsijs, die van smid
schilder moest worden. Aldus leerde hij langzaam, maar
zeker, degelijk en zonder in het minste zijne natuurgaven te
schaden. Het schuwen van rechtstreeksch meestersonderricht
en het bestudeeren van al de puikgewrochten onzer Vlaamsche
School, lieten Matsijs toe zichzelven te blijven, en het is ook
daarom, dat hij zoo eigenaardig, zoo nieuw, zoo waar, zoo
indrukwekkend schoon en kleurrijk is.

De overlevering moet van Mander dus de trouwe waar-
heid hebben doen boeken, wanneer hij, achter in zijn boek,
in een toevoegsel aan de levensbeschrijving van den smid-
loading ...