Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

Page: 62
DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/vandenbranden1883/0074
License: Public Domain Mark Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
62

Schending van {ijn Meesterstuk

daardoor geschonden werd, zal men kunnen overrekenen, als
men weet, dat op verscheidene plaatsen de doorschijnende
schildering tot op het bloote hout afschelferde; dat eene
paneelkloof met eenen lap doek werd overtrokken en dat zelfs,
(o kunstschending!) gansch de ogivale altaartafel werd vierkant
gemaakt en met overbodige luchtvlakten en wapenschilden
aangevuld ! 1

1 Om de bedoelde beschadiging van Quintens meesterstuk te staven, zullen wij hier
eenige ongekende bewijsoorkonden ontleden, daar de ruimte ontbreekt om die in hun
geheel mede te deelen. Zooals wij het verder, ter geschikter plaatse verhalen, werd de
Sint Jansaltaartafel van het Schrijnwerkersambacht, ten jare 1582, van uit Onze-Lieve-
Vrouwenkerk overgebracht naar het stadhuis. Om aldaar in de Staten-Kamer te kunnen
worden uitgestald, werd het middentafereel en ook zijne luiken vierkant gemaakt en in
de hoeken met lucht en wapenschilden aangevuld. De schrijnwerker Peter van Gelekercken
ontving 170 ponden Artois « ter causen dat hij heeft gemaeckt de lijsten met de vleugels
van Sint Janstafele, in de Staetcamer, met het viercant maken van 't panneel ende de
deuren van de selve tafel; » «Meester Michiel vanden Coxyen, schilder, » kreeg 36 ge-
lijke ponden « voor dat hij heeft geschildert de panneelen van Sint Janstafel, daer se in't
viercant gebrocht sijn ende gequetst waren, » en Hans Vredeman de Vriese kreeg ook
60 ponden « ter causen van arbeyts loon, voor dat hij heeft gemaeckt de prospective in
de Staetcamer aen de tafel van Sint Jan. » (Rekeningen der herstelling van het afge-
brand Stadhuis van Antwerpen, 1519-83.)

Ten jare 1589 werd het hoofdwerk van Matsijs ter Staten-Kamer losgebroken en terug
in Onze-Lieve-Vrouwenkerk, in eene nieuwe omlijsting van den beeldsnijder Otmaar van
Ommen, op den stadsaltaar geplaatst. In welken erbarmelijken staat het korts nadien
verkeerde, verklaart ons Karei van Mander als volgt :

« In de een deur van binnen is S. Jan in d'Oly, oock seer uytnemende, waer in ooc
fraey Peerden in comen : en altijts wort er van jonghers, en ander aenschouwers onder-
linghe ghetistenist oft eenen woordt-strijdt ghehouden, hoe veel Peerdshoofden datter zijn,
d'een telt er ses, d'ander seven, oft acht, dit comt door dat het te som plaetsen verstorven
oft bedorven is, datmen die dinghen qualijck can onderscheyden, endatsy eenighenHelm
voor een Peerdts-hooft aensien. » (Het Leven der Doorluchtighe Nederlandtsche en
Hoogdnytsche Schilders, Alckmaer, 1604, fol. S10.J

Op 6 Juli 1652, vinden wij den deerniswaardigen staat der kostbare tafereelen weer
treffend beschreven door den kunstschilder Alexander van Fornenberg. In eenen brief
aan het Antwerpsche Magistraat vertoont hij « hoe dat hij ende verscheyden liefhebbers
der schilderconste, wel geexamineert ende bemerekt hebbende de wtnemende fraeyicheyt
vanhet constich ende vermaert stuck van Meester Quinten Metsijs, in de Besnijdenis-choor
tot Onser Lieve Vrouwen alhier; beneffens dyen oock ondervonden hebben het selve stuck
seer vervuylt te wesen, ende dat met harde ende schaedelijcke vuyiicheyt, de welcke nyet
alleen de meeste fraeyicheyt ende conste desselffs stuck en bedeckt, ende voor de oogen
der curieuse aensienders verborgen hout, maer oock in vele excellente partijen der
verwen seer schaedelijck ende inetende is, verduysterende nyet alleen den glans van een
loading ...