Universitätsbibliothek HeidelbergUniversitätsbibliothek Heidelberg
Metadaten

Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

DOI Page / Citation link: 
https://doi.org/10.11588/diglit.20670#0714

DWork-Logo
Overview
loading ...
Facsimile
0.5
1 cm
facsimile
Scroll
OCR fulltext
702

Van Dijck schildert met Rubens

en uitvoeren voor een der zijaltaren der kerk. Het blijkt
echter niet, dat meester van Dijck van die bijzondere gunst
gebruik zou hebben gemaakt. Integendeel vervaardigde hij
voor de kerk onzer Predikheeren eene Kruisdraging
Christi, welke daar nog is uitgestald. Tevens maalde hij,
naar de tapijtpatronen van Rubens' Geschiedenis der
Dood van Decius Mus, zes prachtige tafereelen.1 Terwijl
onze jonge schilder die gewrochten uitvoerde en de tafereelen
der Antwerpsche Jezuïeten hielp voltooien, had hij zich ook
in Rubens' paleis gehuisvest. Zulks ' blijkt uit een schrijven
van 17 Juli 1620 aan den Engelschen Graaf van Arundel.
Het is een Italiaansche brief, uit Antwerpen naar Londen
gericht, en hij bevat deze volzinnen : « Van Dijck woont
voortdurend bij Mijnheer Rubens en zijne werken beginnen
bijna zoo hoog geschat .te worden als die zijns meesters. Het
is een jongeling van een en twintig jaren, van zeer rijken

1 Op 16 Februari 1661 verklaart onze beroemde portretschilder Gonzales Coquos
met zijnen gèbuur Jonker Jan Baptist van Eyck, vijf dier schilderijen, voorstellende « d e
Historie van den Keyser Decius, ge'schildert door Anthonio van Dijck » te
hebben gekocht voor 400 ponden "Vlaamsen of 2400 gulden. Het zesde tafereel was in hun
bezit en allen werden bij Jonker van Eyck in zijne groote kamer aan de Lange Gasthuis-
straat uitgestald. Den 15n Augustus 1682, toen Gonzales Coques doodelijk ziek te bed lag
en met alle moeite nog eenige gebrekkige letters voor handteeken kon stellen, verklaarde
hij nog deel te hebben in « d e stucken van Decius, geschildert van van Dijck,
naer de schetzen van Rubbens. » Toen Jan Baptist van Eyck op 6 Juli 1692 stierf, prijkten
de kostbare gewrochten nog immer in zijne benedenzaal en dan werden zij beschreven
als volgt : « Ses stucken schilderije, geordonneert door den heere Rubbens ende opge-
schildert door den heere van Dijck, wesende d e Historie van den Keyser Dicius.
Het eerste representerende de ïriumphe van den s e 1 v en Keyser, genombreert
N° 86. De tweede wesende eene Offerhande, N° 87. De derde, voor de schouwe., met
het Volk van de R o o m e y n e n, N° 88. De vierde, sijnde een vensterstuck, den
Trophé, N° 89. De vijfde daer den Keyser Decius wort doorsteken,
N° 90. De sesde d a e r d e n K e y s e r wort b e g r av e n, N° 91.» Naar onze meening zijn
dit dezelfde zes tafereelen, welke in de galerij Lichtenstein te Weenen, de beroemde
Gescliichte vom Tode des Consuls Decius Mus uitmaken en er ten onrechte op naam van
Peter Pauwel Rubens zijn uitgestald. De verschillige stukken zijn daar betiteld:
Kundmachung des Trauraes. Die O p f e r s.c hau. Die Weih e. Heimsen-
dung der Lictoren. Sch lacht und Tod. Das L eich enb e g Èing niss.
 
Annotationen