Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

Page: 398
DOI Page: Citation link: 
https://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/vandenbranden1883/0410
License: Public Domain Mark Use / Order
0.5
1 cm
facsimile
3g8 Zijne kunstmakkers vervolgen hem

geestelijkheid stond. Evenals zijn vader, schilderde hij voor
de hoofdkerk zelve. Zoowel in i5g6, als in 1600, maalde
hij vóórhaar « Mariënbeelden, » die, volgens het loon,
echter maar weinig beduidend moeten geweest zijn.

De vijandelijkheden duurden voort tusschen Meester van
Noort en de Schilders-Kamer. Op 14 Februari 1602 dienden
de Dekens David Remeeus en Jan Breughel, met de Ouder-
mans van Sint Lucas, eene nieuwe klacht in tegen hun gewezen
Opperhoofd Adam van Noort. Ditmaal betichtten zij hem
van nalatigheid, ja, plichtverzuim. Sedert September 1599
was hij afgetreden, en nog had hij niet afgerekend, ofschoon
men dit gewoon was te doen op Sint Andriesdag (3o Novem-
ber) na de aanstelling van den nieuwen Deken. Eerst had hij
uitstel gevraagd en verkregen, omdat hij nog al de verschuldigde
penningen niet had kunnen innen ; maar, hetzij dit geschied
was of niet, de Gilde moest toch het hare hebben. Daar Deken
van Noort niet afrekende, zoo wilden het zijne opvolgers ook
niet vóór hem doen. Derhalve eischte het Gildebestuur, dat
het Magistraat den nalatige zou dwingen binnen de drie dagen
zijne rekening in te leveren. De stedelijke regeering handelde
andermaal uiterst gestreng tegen van Noort, daar zij nu
zonder voorafgaandelijk onderzoek besliste, dat hij verplicht
was binnen de drie dagen zijne zaken met de Schilders-
Kamer te vereffenen. 1

Men heeft ook beweerd dat Adam van Noort een slemper,
een doorbrenger was. Wij vonden integendeel dat hij een goed
huisvader, een spaar- en werkzaam kunstenaar moet geweest
zijn. Van doodarme wees, die hij was, werd hij een der

Requestboek der stad Antwerpen, i60i-02, fol. H3v°.
loading ...