Universitätsbibliothek HeidelbergUniversitätsbibliothek Heidelberg
Metadaten

Van den Branden, Frans Jozef Peter
Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool — Antwerpen, 1883

DOI Page / Citation link: 
https://doi.org/10.11588/diglit.20670#0708

DWork-Logo
Overview
loading ...
Facsimile
0.5
1 cm
facsimile
Scroll
OCR fulltext
696 Vroegtijdige ontwikkeling van Antoon

geluk maar kort van duur is, zoo werd ook dit huiselijk heil
derwijze gestoord, dat heel de stad en zelfs het gerecht er zich
mede bemoeide. Zekere Jacomijne de Kueck, geboren van
Hondschoten, werd den4n December 1610 openbaarlijk gestraft
en ten eeuwigen dage uit Antwerpen gebannen, « overmidts
sij haer heeft vervoordert te dichteo, te singen ende te ver-
breyden seker diffamatoir lieken, tot lasteringe ende blamatie
van Franchoys van Dijck, borger ende coopman deser stadt,
mitsgaders van sijne dochters ende huysgesin; dat sij oick, tot
meer reysen, bij nachten ende ontijden, desselffs Franchoys van
Dijck gelaesen heeft vuytgeworpen, hebbende voorts noch te-
gens hem van Dijck oick, geduerende haere gevanckenisse, ver-
scheyden dreygementen gedaen van te Vermoorden. » Antoon
van Dijck was alsdan nog slechts een kind; maar toch moet
zijn teergevoelig hart diep geschokt zijn geweest door dien
openbaren smaad, den zijnen toegebracht. Immers, de ver-
standsvermogens van den begaafden jongen ontwikkelden
zich vroegtijdig. Zijn kunstaanleg had zich toen ook reeds
treffend geopenbaard. Nog maar elf jaren oud, trad hij, ten
jare 1610, in het werkhuis van Hendrik van Balen. Nauwe-
lijks een aankomend jongeling, was hij reeds een beslagen
schilder. Op slechts veertienjarigen ouderdom maalde hij, met
flinke en ware kleuren, het sprekend Portret van een en
Ouden Man, welk doek hij onderteekende : Anno 1613
A. v. d. F. /ETA. su/E 14. 1 De wonderbare knaap had alsdan
voor boezemvriend en kunstmakker Jan Breughel II, die
slechts een groot jaar jonger was dan onze Antoon. Vóór

1 Dit gewrocht werd ten jare 1804 te Parijs geveild in het klein, doch rijk kabinet
van Joseph Antoine Borgnis.
 
Annotationen